Internship at InsightShare

There is a new internship position available at InsightShare. Primarily the intern will be responsible for the areas of internal- and external communications. In collaboration with our Executive Assistant and other members of the InsightShare team the intern will develop and manage new strategies and tools to support this side of our organisation. If you are interested, click here to see the full job description.

Advertisements

‘Het Marokkanenprobleem’

Het Marokkanenprobleem van mijn vrienden

In discussies met mijn Leidse studentenvrienden kom ik altijd in de positie terecht waarbij ik het gevoel heb dat ik het de ene keer op moet nemen voor Badr Hari en de andere keer voor ‘de Marokkanen’ in het algemeen. Dit komt volgens mij omdat: a) sommige van mijn vrienden een bijzonder beeld over ‘de Marokkanen’ hebben en b) mijn vrienden mij (onterecht) als Marokkanendeskundige bestempelen vanwege mijn Goudse jeugd. Gouda, de stad die volgens Geert voortdurend gebukt gaat onder Marokkaans straatterreur. Tip: kijk voor een iets genuanceerder beeld de Argos –TV reconstructie van het Goudse bussenincident.

De meeste van mijn vrienden hebben nooit bij een Marokkaan in de klas gezeten of in hetzelfde voetbalteam gespeeld. Het beeld dat zij over Marokkanen hebben komt van Geert en zijn kornuiten en de sporadische real-life ervaring die zij met een Marokkaan hebben gehad. Niet dat ze de uitspraken van Geert nu zo serieus nemen, integendeel. Toch blijft het lastig een uitspraak als: “… onze stranden worden geteisterd door rovend en gewelddadig Marokkaans tuig …” om te buigen tot iets positiefs. Helemaal met een tegengeluid als: “Badr is een parel voor de Nederlandse samenleving”. Daarbij komt dat die sporadische real-life ervaringen zich vaak in en rondom het centraal station van Leiden afspelen en daarmee per definitie niet positief kunnen zijn. Zo is één van mijn vrienden na het pakken van zijn fiets weleens achterna gezeten door twee rebellerende mocro’s. Een gebeurtenis die zeker invloed heeft gehad op zijn beeld over ‘de Marokkanen’. Het probleem van mijn vrienden is dat ze hun beeld over ‘de Marokkanen’ ontlenen aan gebrekkige mediaberichten en de niet erg representatieve real-life ervaringen.

Mijn Marokkanenprobleem

In tegenstelling tot mijn Leidse studentenvrienden ben ik wel op jonge leeftijd in contact gekomen met Marokkaanse leeftijdsgenootjes. Tussen mijn vijfde en zevende jaar was mijn beste vriendje Abdulhak. Op mijn zevende verhuisde ik naar de Beringlaan, een buurt met vooral blanke jongetjes (en dus blanke vriendjes). Wel had ik nog een paar Marokkaanse klasgenootjes en zat ik bij S.V. Gouda in een team met zowel Nederlandse als Marokkaanse jongens.

Met mijn vriendjes op de Beringlaan voetbalde ik en speelde ik busjetrap, een soort verstoppertje, alleen dan met een bal. Tijdens één van de potjes busjetrap bleek de bal opeens verdwenen te zijn. Mijn vriendje Tom beweerde dat hij mijn vroegere vriendje Abdulhak langs had zien komen fietsen met onze bal in zijn handen. Diezelfde avond belde de moeder van Tom bij mij en mijn ouders aan. Ze had van Tom gehoord dat ik Abdulhak kende en dat mijn ouders wisten waar hij woonde. “Kunnen jullie niet bij Abdulhak langs gaan om de bal van Tom terug te vragen?”. Een op het eerste gezicht eenvoudige vraag met een eenvoudige oplossing. De bal is van Tom, wij weten waar Abdulhak woont, waarom dan niet even langs fietsen om de bal terug te vragen? Toch zag ik de vertwijfeling al op het gezicht van mijn vader verschijnen.

Met enige tegenzin vertrokken mijn vader en ik richting het huis van Abdulhak. We belden aan en de vader van Abdulhak deed open. Hij was erg verheugd ons na lange tijd weer te zien en nodigde ons direct uit voor een glaasje Marokkaanse thee. Abdulhak was niet thuis en wat ongemakkelijk zaten ik en vooral mijn vader op de bank met een glas thee in onze handen. Mijn vader kennende heeft hij het nog subtiel proberen te brengen door te vragen of Abdulhak misschien een bal ‘gevonden’ had die toevallig van een vriendje van mij was. De vader wist van niets. Iets later stonden we weer buiten, allebei met een kutgevoel. Dit gevoel werd er even later niet beter op. Eenmaal thuis aangekomen werd aangebeld. Abdulhak stond voor de deur met tranen in zijn ogen en de bal van Tom in zijn handen. Het leek erop dat hij thuis een flink pak slaag van zijn vader had gekregen.

Ik twijfel nu nog steeds of mijn vader en ik er goed aan hebben gedaan de bal terug te halen. Ook vraag ik me af wat het betekent dat de situatie voor mij minder pijnlijk zou zijn als Tom de bal van Abdulhak zou hebben meegenomen en mijn vader en ik bij de moeder van Tom langs zouden zijn gegaan om de bal terug te halen. Dat is denk ik mijn Marokkanenprobleem.

Het Marokkanenprobleem van mijn voetbaltrainer

Mijn voetbalteam was een mix van Nederlandse en Marokkaanse jongetjes. Mijn ploeggenootjes heetten Koen, Jeroen, Rob, Paul en Richard, maar ook Nabil, Joëd, Tarik en Aziz. Onze trainer noemde mij en mijn Nederlandse ploeggenootjes stuk voor stuk bij naam, “Ward, kaatsen”. Mijn Marokkaanse ploeggenootjes kregen allemaal dezelfde naam, niet Mohammed maar Ali, wellicht nog makkelijker te onthouden en uit te spreken.

De trainer mag me Ward noemen, Wardiola (mijn voetbalnaam) mag ook. Minder mooi vind ik het als hij me Kees of Piet noemt. Nog minder mooi vind ik het als ik niet de enige Kees of Piet ben en het grapje is echt voorbij als ik het hele jaar Kees of Piet genoemd wordt. Toch blijft het gissen wat dit met mij gedaan zou hebben. Ik heb in tegenstelling tot mijn Marokkaanse ploeggenootjes namelijk nooit meegemaakt hoe het is om door je trainer niet bij je echte naam genoemd te worden. Wat betekent het voor een 12 jarige jongen als structureel (het hele seizoen) (een deel van) zijn identiteit miskend wordt?

Wees gerust, ik zal jullie de moralistische conclusies besparen en het bij deze drie voorbeelden houden die laten zien dat ‘het Marokkanenprobleem’ misschien ook wel voor een deel ligt bij mij, mijn vrienden en mijn voetbaltrainer.

De kunst van het straatvoetbal

Precies twee jaar na mijn eerste bezoek zette ik deze week weer voet aan wal op Surinaamse bodem.
In die twee jaar zijn een aantal dingen veranderd. Twee jaar geleden was ik nog een student die de straatjes in Paramaribo afstruinde op zoek naar voetbalveldjes om participerende observaties te verrichten. Nu ben ik een consultant voor een Nederlandse Sport for Development organisatie en houd ik me bezig met de invulling van een Sport, Culture en Development programma in Suriname.

Veel dingen zijn echter ook nog hetzelfde. Twee jaar geleden verliet ik Suriname (weliswaar in de business class) met een gescheurde enkelband door een overdosis straatvoetbal. Nu vlieg ik Suriname binnen met wederom een kapotte enkel. Dit keer is niet de overdosis straatvoetbal, maar een te grote portie ‘kick and rush’ voetbal de schuldige en zat het geluk van de business class er helaas ook niet in.

Suriname zelf riep voor mij vooral erg veel nostalgische gevoelens op. Helemaal nadat ik gisteren de voor mij heilige grond betrad van het zaaltje waar ik mijn mooiste (op camera vastgelegde) doelpunt ooit heb gemaakt. In de samenstelling van het team was ook nauwelijks wat veranderd. Wel waren er hier en daar wat extra kilo’s bijgekomen. Een niet geheel onverwacht resultaat van het jaar in jaar uit leven op Djogo’s, mierzoete vruchtensapjes en gefrituurde kip.

Nu ik hier weer even terug ben vroeg ik me opeens af waarom ik drie maanden van mijn leven gewijd heb aan het onderzoek doen naar straatvoetbal. Waar komt die fascinatie vandaan en wat vind ik er eigenlijk zo mooi aan …? De kern van het antwoord zit hem denk ik in het gesprek dat ik twee jaar eerder met Furgell Pinas heb. Op zijn 12e is Pinas nog uitgeroepen tot het grootste voetbaltalent van Suriname. Toch besluit hij vervolgens het veldvoetbal links te laten liggen om zich volledig te focussen op het straatvoetbal. Als ik hem vraag waarom hij straatvoetbal nu zo mooi vindt, geeft hij mij het volgende antwoord:

“Laat me het vergelijken met een zangvogel. Ik ben een goeie zangvogel, maar ik kan niet op een tak fluiten, want ik zit vast in een kooi. Maar als ik op straat voetbal speel … Ja, dan ben ik vrij. Niemand heeft je wat te zeggen daar. Je doet wat je wilt. Je hebt plezier. Het is echt alles …”  

Tja, nu weet ik het weer, want wie is er op zijn 25e nu niet op zoek naar dit ultieme gevoel van vrijheid …

Interviewing Nick Lunch about Participatory Video and indigenous people

If you have a look at the InsightShare website or YouTube channel you will probably notice that quite a few Participatory Video (PV) projects involve indigenous people. From the Baka people in Cameroon to the Quechua Indians in Peru. A good starting point for an interview with one of the founders and directors of InsightShare, Nick Lunch.

Basically, my first question for Nick was to explain the roots of working with indigenous people. We went back to 1990. The year that Nick decided to work one year as a teacher in Nepal in between high school and University. In retrospect a year that changed his life. Living in the village Sermathang with the Yolmo people made him realise that these people have a way of life that is very abundant, unique, and different from ours. A way of life that is very much in harmony with nature and environment. Five years later, Nick and his girlfriend went back to live in the village where they experimented for the first time with PV. After coming back to the UK, Nick set up a local charity in Oxford doing PV with young people. An exchange project was set up where local youth in Nepal and the UK communicated with each other using video messages. Initially to break down negative stereotypes about the development world as poor and in need for help. And although the exchange idea was a success, it wasn’t the strongest and most transformative part of the PV projects. As Nick explained: “The exchange idea was a nice idea … but increasingly our work with PV was not so much about exchange but more about focussing on the community issues and putting up a mirror to reflect and enabling people to think about their issues …”.

From here, it is only a small step to the first PV project Nick and (his brother) Chris did together in 1999 in Turkmenistan. The project was with pastoralists in a small village Garegul, located in the middle of the Karakorum dessert. The three family clans living in the village had been in conflict since … (who knows). For one reason or another they would not engage with each other, even though it was a tiny village in the absolute middle of nowhere where you kind of need each other to survive. The Participatory Video process has been set up to discuss an ecological issue the people in Garegul were dealing with. During the process it became clear that: “the participatory video process itself unlocked something”. “Within ten days people were working together and coming in to each other’s houses to watch the video’s” they had been making, followed by organising collective action.

At the community (internal) level the PV process became a tool to solve the problems between the different clans living in the village by enabling everyone to feel heard. The PV process also had its impact on an external level, influencing the decision makers in the region. The Regional Governor was very much impressed by the film. Having no idea that (his) people were so intelligent and had so much knowledge (about the ecological problems in the region). The film has also been shown in the capital, Ashgabat, mainly to people from (I)NGO’s and foreign embassies, that were having difficulties working constructively with communities in a participatory manner. For them it was very fascinating to see how a PV process could contribute to breaking down all kind of barriers, leading to a collaborative and participatory process. The result of this meeting has been that staff at the Embassies were moved to start a fund that supported the community-led initiative that emerged from the participatory video project to set up a collective flock of sheep as a way to strengthen the resilience of pastoralists in the desert. The offspring lambs were traded for solar panels!

Somewhere in the middle of our conversations I realised that we have been talking about Participatory Video with Indigenous groups, but I still hadn’t really figured out what was so particular about working with indigenous groups. So, why exactly does Participatory Video work so well with indigenous groups? One of the reasons is that PV fits very well with storytelling and the oral tradition that is dominant in most indigenous communities. Of course, this isn’t exclusively the case with indigenous groups. More important is the experimental way of working that is characteristic for indigenous people. Their knowledge about (local) food, plants and medicines comes from continuous learning by experience. This experimental way of learning is very much in line with the different steps that are taken in a Participatory Video process. The synthesis between a PV process and the indigenous learning by experiences is probably best expresses by Maria Flores, a Yaqui elder. After completing an InsightShare training in Northern Mexico she has only one thing to say: “PV is a process that seems to be designed for indigenous people”.

We have seen so far that the origins of InsightShare are strongly intertwined with PV projects involving indigenous groups. This has been so in the beginning and it continues to be the case. A recent and very large scale programme with indigenous groups is ‘Conversations with the Earth’, a programme focused on the voices of indigenous people on climate change all around the world. You can find a lot of beautiful stories, photos and videos on the website and in the brochure, or even check if there is an exhibition not too far from you. Before finishing this blog I would like to elaborate a bit on a story that really touches me.

It is a story from one of the ‘Conversations with the Earth’ projects in Cambridge Bay, Canada. The indigenous group, the Inuit, live in this part of Arctic Canada. It is not easy growing up as an Inuit youngster in Arctic Canada these days. Although they haven’t faced the discrimination against indigenous people as their parents and grandparents did, still a lot of them feel kind of lost between the more traditional way of living of their elders on the one hand and the more westernized (consumerist) lifestyle of their (non-Inuit) peers on the other hand. The split they are in and their feeling of ‘lostness’ is something these Inuit youngsters have to deal with every day. Shocking to see is that the Canadian Inuit have a suicide rate that is among the highest in the world (and ten times that for the rest of Canada). Research says that the effects of (past) government intervention dramatically affected kin relations, roles, and responsibilities, and romantic relationships. Suicide is embedded in these relationships. A PV process can work as a mirror and help Inuit youth to explore and celebrate their identity. It’s a collective and reinforcing way; to find out where they come from; to discover how rich their culture actually is; and to learn to show this to other people and be proud of it. The PV process with local youth in Cambridge bay resulted in the film Growing up in Cambridge Bay. During the process you see the Inuit youth reflecting on who they are and where they come from. They deliberately choose to discover their roots by focussing on things as: traditional fishing, hunting, Arctic sports, local legends and their indigenous language. In the next film they made, Building A Qajaq To The Future, you see how Inuit elders and youth work together on building a traditional sealskin kayak using traditional tools.

Irma

In contrast to Canada there are still other countries where discrimination against indigenous people continues. In Peru, for example, the Quechua Indians still face strong discrimination resulting in (e.g.) very low self-esteem. Without trying to be too pretentious PV proves to be a method that can help indigenous groups a bit to stay true to their own identity and way of living. Irma Canchumani, a Quechua Indian living in the Peruvian Highlands and worked with InsightShare as a facilitator in 2009 explains very well what the value of video can be: “we turn the gaze of the camera towards those things we value the most; for us participatory video is ‘seeing beauty’ ”. Check out Irma’s first and second film. The dream for the five next years is to establish a network of sustainable, autonomous, community-owned media hubs. The establishment of these media hubs is closely related to ‘the right to self-determination for indigenous people’. As part of that InsightShare will continue supporting indigenous facilitators to carry out PV projects within their communities, neighbouring communities and beyond.

Jori pindakaas

IMG_0540

Jori pindakaas; een biologische pindakaas gemaakt van vers gebrande pinda’s en een snufje zeezout. Vanaf jongs af aan stond een grote pot (650 gram) van deze pindakaasvariant bij mij en mijn ouders op tafel tijdens het ontbijt en de lunch. Klassiek element van de Jori pindakaas is de (centimeter) dikke laag (pinda) olie die (vooral) bij het voor het eerst openen van de pot op de gebrande en gestampte pinda’s drijft. Na het openen van de pot pindakaas zijn een groot mes en een paar sterke armen nodig om de pindakaas tot een smeuïg geheel te roeren.

Bij mijn vriendjes, allemaal “Calvé’ers”, viel ik natuurlijk wel een beetje uit de toon met deze iets minder mainstream pindakaas. Mijn Calvé vriendjes uit de buurt waren dan over het algemeen ook niet zo te spreken over de Jori pindakaas. In vergelijking met de kunstmatig ogende Calvé is een pindakaasvariant met zichtbare stukjes pinda en een laag olie natuurlijk ook best eng. Resultaat was dat ze liever niet meer bij mij tussen de middag wilden komen eten. En mijn neefje, ook niet zo’n Jori pindakaas liefhebber, nam steevast zijn eigen potje Calvé mee als hij bij ons kwam logeren. Terugkijkend is dit toch één van mijn “traumatische” jeugdervaringen geweest.

Bij het verlaten van mijn ouderlijk huis ben ik gestopt met het eten van de Jori pindakaas. Toch wil ik (jaren later) nog een keer de confrontatie met de Jori pindakaas aangaan. Ik besluit twee goede vrienden, Alexander en Laurens, bij mij thuis uit te nodigen en ze te trakteren op een lunch met vers brood van de bakker en Jori pindakaas. Alexander en Laurens, beide “Calvé’ers”, zijn in het begin lichtelijk sceptisch. Al snel volgen teksten als: “Bij het eten van Jori pindakaas hoort toch ook een ongeschoren baard” en na het zien van de pot: “Het lijkt net een soort drijfzand”. Bij het openen van de deksel slaat de stemming al enigszins om. “Hij ruikt wel lekker hoor, lekker naar pinda’s”. Ook over de smaak zijn zowel Laurens als Alexander te spreken. “Bij de eerste hap had ik wel lekker de pinda sensatie”, zegt Laurens. “Het is een minuutje of vijf roeren, maar dan heb je ook wat”, volgt Alex.

De voor mij persoonlijk mooiste uitspraak komt van Laurens die zegt dat hij het onbegrijpelijk vind dat mijn vriendjes van vroeger niet meer mij me tussen de middag wilde komen eten. “Als ik toen je vriendje was geweest, zou ik elke dag langskomen om te komen eten”, aldus Laurens. Met deze therapeutische woorden zijn we bijna aan het einde van dit blog. Check nog even onderstaande uitspraken om te beoordelen of Jori pindakaas ook iets voor jou is.

Is Jori pindakaas iets voor jou?

“Het smaakt meer naar pinda’s dan Calvé”.

“De pindakaas blijft wel een beetje aan je gehemelte plakken”.

“Het was even wennen, maar het was wel een lekkere notensmaak en wat minder de botersmaak van andere pindakazen”.

“Hij is wel vrij prijzig (vijf euro voor 650 gram) en niet in de supermarkt hier om de hoek te vinden”.

“Je moet wel van een beetje roeren houden”.

Bewust in Bamako

Mijn eerste blog, ‘Ik ga naar Mali en ik neem mee’, stond in het teken van de voorbereidingen op mijn verkenningsmissie naar Mali. Bij terugkomst viel het me op dat mijn vriendin, mijn beste vrienden, mijn familie en ook mijn collega’s eigenlijk meer benieuwd waren naar de situatie in het land dan dat zij interesse hadden in hoe de missie nu daadwerkelijk was gegaan. Daarom sta ik in dit tweede blog stil bij mijn ervaringen rondom de (veiligheid) situatie in Mali, voordat ik het in mijn derde blog dan toch maar ook over de verkenningsmissie zelf ga hebben.

Goed voorbereid – ofwel na het lezen van een aantal veiligheidsrapporten, een skype met ICCO’s veiligheidsadviseur en een aantal gesprekken met Malinezen – vertrok ik naar Mali. Toch enigszins op mijn hoede liep ik de eerste dag door de straten van Bamako. Op het eerste gezicht leek er niet zoveel veranderd te zijn in vergelijking met de laatste keer dat ik in Mali was (2009). Nog steeds veel volgepakte groene busjes, nog steeds overvolle gele taxi’s, nog steeds teveel scooters met bestuurders zonder helm, nog steeds schoenenkraampjes met Vans langs de kant van de weg en nog steeds veel chillende en theedrinkende mannelijke Malinezen op een bankje. Op het eerste gezicht niets aan de hand dus. Maar schijn kan bedriegen, zeker als je ergens minder dan 24 uur geleden geland bent.

Bij het achterhalen van telefoonnummers van UN personeel kwam ik erachter dat de richtlijnen op dit gebied iets zijn aangescherpt. Telefoonnummers mogen niet meer zomaar aan Jan en alleman verstrekt worden. Ook is het spotten van (I)NGO logo’s een meer uitdagende bezigheid geworden dan voorheen het geval was. Veel (I)NGO’s hebben ervoor gekozen hun logos van de muren van het kantoor te verwijderen. Beide maatregelen hebben alles te maken met een aangescherpte veiligheidspolitiek. Ook de toeristen zijn, op een enkeling na, verdwenen. Voor hen in de plaats zijn een aantal journalisten gekomen. In mijn hotel ‘The Sleeping Camel’ ontmoet ik twee journalisten, Tamasin Ford en Bonnie Allen. In hun publicaties voor The Guardian uiten de Malinezen die ze interviewen hun zorgen, vooral over de situatie in het noorden en het lange wachten op mogelijk militair ingrijpen.

Timboektoe, bekend als culturele hoofdstad van Mali en vaste uitvalsbasis van Donald Duck, is één van de steden in het noorden van Mali waar je nu liever niet wilt vertoeven. Jeanine Julen schrijft in het NRC stuk ‘Mali’s blues zwijgt’ dat een Al-Qaida gelieerde groep de stem van de woestijn het zwijgen oplegt. In plaats van de Malinese blues komen nu Koranverzen uit de speakers van Timboektoe’s radiostation. De culturele hoofdstad met haar muziek en kunst lijkt te veranderen in een ‘jihadistische nachtmerrie’, aldus Mark Townsend. Geschokt lees ik zijn artikel ‘Mass rape, amputations and killings – why families are fleeing terror in Mali. Met de komst van de islamitische terreurgroepen en de invoering van de Sharia lijkt het volkomen uit de hand te lopen in het noorden van Mali. Veel Malinezen vluchten daarom naar het buurland Burkina Faso of het zuiden van Mali.

donald duck

Of de situatie op korte termijn zal veranderen is maar zeer de vraag. Zeker omdat er naast een militaire crisis ook een politieke crisis in het land gaande is. Veel Malinezen kunnen maar moeilijk het geduld opbrengen om nog een aantal maanden te moeten wachten op een militaire interventie in het noorden. De kans dat het Malinese leger zonder internationale assistentie is opgewassen tegen de noordelijke Islamitische terreurgroepen is echter zeer klein. Check het bamakobruce blog voor meer ins en outs hierover.

“Numbers are not people”

Participatory Video for Monitoring & Evaluation (PV for M&E)

In my previous blog I discovered that Participatory Video has multiple applications. In this blog, I will further explore one of them. Participatory Video for Monitoring and Evaluation, also referred to as ‘PV for M&E’. So what is PV for M&E? And how exactly can you use PV for M&E? Two of InsightShare’s consultants, Soledad Muniz and Sara Asadullah, helped me out to get a better understanding of what PV for M&E is.

I thought it might be a good idea to just start with the definitions of on the one hand ‘Participatory Video’ and on the other hand ‘Monitoring and Evaluation’ and then try to find a link between both of them. According to Soledad PV is a process of collective filmmaking. “The main difference with traditional filmmaking is that there is not one person: a director, a scriptwriter or a producer, that is creating a film from its own understanding of an issue”. Instead, “PV is a process where a group of people come together to think about an issue, something that is important to them. And this conversation is facilitated through a film”.

What about the Monitoring and Evaluation part then. For Sara and Soledad M&E is: “observing and analysing what works in projects”. Here monitoring is observing a situation for a longer period of time (to provide early indications of progress). And evaluation is more about analysing what has happened after a certain period of time (to assess the progress towards an outcome). At this point, both the definitions of PV and M&E were clear for me. However I still didn’t really get how PV and M&E fit together.

The answer to my question seemed to be related to the (different) M&E methodologies. Sara and Soledad explained how people make use of different M&E methods. Often, there is a particular focus on traditional, quantitative but also qualitative, methods. “Recently, there has been a specific need for M&E where you do not only involve the supposed experts and researchers in analysing and observing, but you also involve the people that were part of the project”. This is called Participatory M&E. “The strength of participatory M&E is that the beneficiaries of the project, but also the staff that delivers the project and the local policymakers that influence the project can all be included in the M&E”.

These recent developments made Participatory Video a very interesting tool that could be used in addition to the more traditional M&E methodologies. After all, “with video people can easily express themselves. so why not help them evaluate their own project or the projects where they are part of … “. A participatory Video process makes it possible for community members to create, for example, a short video story that brings together sound, image, drama and music to more accurately represent the complexity of people’s lives and the impact of a project.

Before I will give you some examples of projects that use PV for M&E I will try to give you an insight into a very interesting and specific PV for M&E application, ‘PV MSC’. Maybe some of you already know Rick Davies and are familiar with his Most Significant Change technique (MSC). MSC is a form of qualitative and participatory M&E involving the ongoing collection of stories of significant change. Writing is the usual means of recording Most Significant Change stories. But why not use video instead of pen and paper? In collaboration with Rick Davies InsightShare worked on a new technique: ‘PV MSC’, incorporating Participatory Video into the MSC approach. PV MSC is considered as a new and very interesting method because with minimal training, anyone can learn how to use a video camera, allowing people to tell their Most Significant Change stories to their peers, in a familiar context. Moreover, PV MSC makes it possible to disseminate these important stories irrespective of literacy barriers. Check InsightShare’s ‘How it worksguide and the ‘PV MSC’ page on the InsightShare website to get more insights into the complete process.

Ok, now it’s really time to start looking for some examples. A project that has used PV in combination with MSC is the LEAP Kenya project. The city of Eldoret was one of the locations where the violence escalated after the Kenyan presidential elections in 2007. Mercy Corps decided to use sport in Eldoret as a means to change perceptions between tribes, build peace, promote reconciliation and give young people a hope for the future. In May 2010, InsightShare travelled to Eldoret Kenya to facilitate a workshop on PV and MSC as a way to evaluate the LEAP programme. In this photostory you get a good impression of how the PV MSC workshop went. The film ‘A Terrible Day In My Life’ shows the story of Peter Gatama. He witnessed his uncle being killed during the political violence. After the violence he felt that his life was over: his uncle died; his parents lost everything and he didn’t have a job. The football coach, Ndegwa, convinced him to take part in the ASTEP and Mercy Corps project that tried to help youth to reduce their hatred inside. The film very well shows the struggles of Peter Gatama. Step by step and with a lot of talking, eating and playing football together Peter is able to reduce his hatred and learns to live with people from other tribes as family again. The film tells the (most significant change) story of Peter Gatama. Peter tells the story in his first language and in a for Peter comfortable context. And the film makes use of drama to give a better insight into what happened during the political violence and how sport can really contribute to social transformation.

A second project that uses PV in combination with M&E is the Video Girls for Change project funded by the Nike Foundation. In 2011 the Nike Foundation asked InsightShare to find out how girl programming works in different parts of the world. In collaboration with BRAC Uganda and Population Council Guatemala – organisations delivering girl empowerment programs with support from the Nike Foundation – 12 young women and girls from each program were selected to take part in the InsightShare workshop where they learnt to make videos and to use the Most Significant Change Technique. In the first stage each group came together for four weeks and spent time with InsightShare facilitators trying out Participatory Video, and ‘the Most Significant Change’ technique. In stage 2 the trainees in Uganda and Guatemala went out into communities to replicate the ‘PV MSC’ process they had learned in stage 1. They had a chance to practice their skills in facilitation, video recording and editing. In stage 3 the trainees in Uganda and Guatemala analysed the data they had collected in stages 1 and 2. They watched all of the PV MSC stories and dramas and identified the most important factors effecting girls’ change. They recorded their findings as video reports. In stage 4, 3 trainees and 1 member of staff from each country came together in Istanbul, Turkey to take part in the ‘Association for women’s rights in Development’ (AWID) Forum and to share learning among themselves and with Nike Foundation. Interesting to see is that in this case PV and MSC are used in a long term process for a full capacity building program. Check out the photostory for a more detailed explanation of the four stages. Learn more about the Video Girls for Change project on the Video Girls for Change website. And see also some of the video’s made by young girls as part of this programme.

Guatemala: Maria Chicoj’s story, Maribel Gutierres’ story, Maria Luisa Ajuchan’s story, Overcoming Adversity

Uganda: Girls Appreciate BRAC Clubs (Drama), Sharon Banawa, Grace Katana, Lydia Nakiyemba

If you want, you can find a lot more case studies about PV and M&E. See for example: Community-Based Adaptation in Africa; Violence No Longer a Social Norm in “Safescaping” Communities and Participatory Video Evaluation in the Philippines: Visual memories.

Exploring the different ways of using Participatory Video

My first blog finished with the sentence “If a picture sometimes already speaks more than a thousand words, then what can we say about video…?”. So, what about video? One of the things you should know about video is that ‘most’ videos do not just appear from nowhere. A video is often the end result of a long and intensive process. It involves multiple people with different roles: (e.g.) a director, a cameraman, an interviewer, a presenter. These people strongly influence what the film will look like and what will be in and out of the frame. The power of framing is very well explained in this TEDx presentation by Kees-Jan Mulder, a Dutch filmmaker and participatory video expert.

To make it even more obvious, I will give an example myself. In 2011, I was finishing my master’s degree by writing a thesis about street football in Paramaribo (Surinam). My favourite research method was (of course) ‘participatory observation’. During one of the football events, I (director) asked a player (cameraman) to do some filming. I added that I would like to show my family and friends in the Netherlands what I was doing in Surinam. Later that evening, I watched back the footage and made this little clip. Although I am quite proud of my goal, I have to admit that reality was a bit different.

On reflection, I can say that the clip would look more than slightly different if it was the result of a Participatory Video (PV) process. It would not be me, as an outsider, being the director and making a film about street football in Surinam. It would have been the Surinam football players themselves that would do all the work: (e.g.) the storyboarding, the filming, and the editing. Basically, Participatory Video is about supporting a group or community in the process of creating and shaping their own film. You can also check out this nice animation to get a quick idea about how Participatory Video works.

Personally, I started to get fascinated by Participatory Video after participating in a Participatory Video workshop at the Netherlands Sports Alliance. A year later, working as an action researcher for ICCO, I got the opportunity to facilitate a Participatory Video process with a group of Shea Butter producing women in Léo, Burkina Faso, resulting in Tcham Bamè and The Making Of Tcham Bamè. My PV experience only made me more curious about the method and all the things you can and cannot do with it. This made me decide to apply for an internship position at InsightShare, a small non-profit organization founded by Chris and Nick Lunch, writers of the popular Participatory Video handbook.

In October I started as an intern at InsightShare and participated in the Participatory Video Training that they run twice a year. The first two days of the training course  focused on increasing our facilitation skills through practicing with a lot of PV games and exercises: such as “The name game”, “The disappearing game”, “The devil’s advocate”, “Questions in a row”, “What’s in the frame” and “Show and Tell”. Halfway day two we split up in smaller subgroups of 2-4 trainees. For every subgroup the challenge was to prepare and facilitate a one day PV process at a community organisation in Oxford. The fourth day  mainly focused on editing and important elements of the fifth day was action planning and reflection.

During this reflection process I realised that I had had some very nice, new and clarifying experiences during the course of the training week. However, when I heard all the trainees elaborating on the PV projects that they were planning some new questions arose. The trainees would use PV in diverse settings and for various purposes. I wondered: What does this mean for how you manage a PV process, what you might do, and what you might not do? These questions kept popping up in my mind and inspired me to start blogging about the different applications of Participatory Video. From now on, every two weeks you can read a new blog about one of the applications of Participatory Video.

Ik ga naar Mali en ik neem mee!

Zondag achttien november om tien minuten over vier ’s middags vertrekt mijn vlucht vanaf Parijs Charles de Gaulle richting Bamako. Veel tijd om te acclimatiseren is er niet. Maandagochtend start ik met een gesprek met Hubert Diabate. Een ervaren Malinese consultant en voor anderhalve week mijn rechterhand tijdens een ontdekkingsreis door het Malinese ‘sport for development landschap.

De voorbereidingen voor de missie zijn al enkele maanden eerder van start gegaan. Dertien September 2012 maakte ik een klein vreugdedansje na te zijn aangenomen als projectleider Mali, bij NSA-International. Samen met Right to Play en KNVB is NSA-International verantwoordelijk voor de uitvoering van een sport & ontwikkelingsprogramma (2012 – 2015), gefinancierd vanuit het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Mali is slechts één van de landen in het programma. En als startend projectleider vind ik het helemaal niet erg dat ik mij volledig mag richten op Mali. Een prachtig (sport) land waar in het bijzonder voetbal en basketbal erg populair zijn. Belangrijke vraag voor mij is wat NSA-International aan dit prachtige sportland kan toevoegen. Als projectleider kan ik in het vliegtuig stappen, arriveren in Mali en zeggen: “hoi, mijn naam is Ward en ik wil graag een basketbal- en voetbalcompetitie organiseren”.

En hoe mooi ik basketbal en voetbal ook vind, toch denk ik dat NSA-International een meer waardevolle bijdrage kan leveren binnen de Malinese ‘sport for development’ sector. Een goede voorbereiding is daarbij belangrijk. Eerst maar even contact opnemen met Right to Play. In tegenstelling tot NSA-International heeft Right to Play al jaren ervaring in Mali. Via Marleen Romeny, van Right to Play Nederland, kom ik in contact met Amadou Cissé, country officer van Right to Play Mali. Amadou reageert direct enthousiast, hij wil de ervaringen van Right to Play graag met me delen. Dat is mooi. Gelijk maar even een afspraak maken.

Ook stuur ik een eerste mail naar de Nederlandse ambassade. Ik ben benieuwd naar haar visie is op ‘sport for development’ en of zij activiteiten ondersteunt op dit terrein. Daarnaast kan zij met haal lokale voelsprieten mij wellicht in contact brengen met een aantal leuke lokale clubs. Al snel krijg een bericht terug van To Tjoelker, chef ontwikkelingssamenwerking Mali. Ik ben van harte welkom voor een bak koffie op de ambassade. Tevens verbindt ze me door met Diourrou Cissé, de ambassademan die me veel kan vertellen over de verschillende maatschappelijke organisaties in Mali.

Langzaam aan begint zich een klein sneeuwballetje te ontwikkelen. Via bestaande contacten, een beetje googlen en wat Malinese vrienden leer ik steeds meer mensen en organisaties kennen die actief zijn in de Malinese ‘sport for development’ scene. Het is mooi dat ik steeds meer relevante contacten heb in Mali en dat dat de eerste paar dagen van mijn verkenningstrip al aardig zijn ingekleurd. Maar om uiteindelijk zoveel mogelijk uit de missie te halen is het belangrijk een sparringpartner te hebben. Iemand met wie ik de bilaterale gesprekken kan voeren, een gezamenlijke analyse kan doen en kan brainstormen over de beste interventiestrategie voor NSA-International. Op zoek dus naar een (lokale) consultant.

Tijdens mijn tijd als junior actie onderzoeker bij ICCO heb ik veel samengewerkt met Victor van der Linden, consultant bij Fair & Sustainable Mali. Wellicht dat hij me in contact kan brengen met een Malinese consultant. Ook heeft mijn moeder, Marleen Heus, nog een aantal contacten overgehouden uit haar tijd bij het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT). Uiteindelijk kom ik zo terecht bij Hubert Diabate, een ervaren Malinese consultant. Hubert is positief als ik hem benader. Sport is niet zijn eerste expertisegebied, maar met een breed netwerk en een jarenlange ervaring als consultant denk ik dat ik persoonlijk veel van hem kan leren en dat hij veel voor NSA-International kan betekenen.

Tot nu toe lijkt de voorbereiding voorspoedig te verlopen. Een goede consultant staat me bij. Afspraken staan gepland bij de Nederlandse Ambassade, Right to Play, Association Malienne pour la Promotion de la Jeune Fille et de la Femme (AMPJF) en Institut National de la Jeunesse et des Sports (INJS). En ik vermoed dat het niet enkel bij deze afspraken gaat blijven. Eenmaal in Bamako gearriveerd wordt het een stuk makkelijker om met personen en organisaties in contact te komen en zal de sneeuwbal steeds sneller gaan rollen. Of zoals mijn consultant Hubert Diabate al zei:  “Je sais que sur place, les choses peuvent se dénouer plus facilement”. Over hoe ‘facilement’ dit allemaal is gegaan horen jullie in het volgende blog meer.

If a picture already says more than a thousand words, what can we say about video then…

When I was seventeen years old, my whole life was about football (and it maybe still is). It started with playing football in the morning during the school breaks. My friends and I continued at the little street court around the corner when school finished. The evenings were often filled with trainings or matches of my field- and indoor football teams. The time left was used to watch professional football matches and more importantly to search for new and cool streetfootball videos on Youtube.

‘The mission’. A spectacular Nike commercial with Edgar Davids in the lead resulted in hours of practicing, trying to imitate the phenomenal football trick Davids does when he steals the ‘roundest’ ball on the planet. If you haven’t seen it, watch it now (below). Tricks and the freedom to do tricks make indoor football cool(er). That is why I started an indoor football team together with my neighbourhood friends.


After a couple of matches we realised that our tricks were by far the most memorable moments of the matches. However, a few weeks later you can tell your friends at school or in the pub that you won a match with 5-3. But it is more difficult to say that you did a very cool trick during the match. You can check the outcome of the match on the website of your football club, but where can you check and how can you show the trick you did…? This made me decide to use my last saving money to buy a basic JVC video camera. I experienced that not all moments can be (properly) saved in our memory.


Ever since we recorded almost every match we played. So if you were injured, substitute or supporter, your duty was to film the whole match. Coming home, I always watched this 60 minute-tape back for those few seconds of fame and showed it to everybody that was interested. Reflecting on it, here I started to realise that video has a special power. If a picture sometimes already says more than thousand words, what can we say about video then…