‘Het Marokkanenprobleem’

Het Marokkanenprobleem van mijn vrienden

In discussies met mijn Leidse studentenvrienden kom ik altijd in de positie terecht waarbij ik het gevoel heb dat ik het de ene keer op moet nemen voor Badr Hari en de andere keer voor ‘de Marokkanen’ in het algemeen. Dit komt volgens mij omdat: a) sommige van mijn vrienden een bijzonder beeld over ‘de Marokkanen’ hebben en b) mijn vrienden mij (onterecht) als Marokkanendeskundige bestempelen vanwege mijn Goudse jeugd. Gouda, de stad die volgens Geert voortdurend gebukt gaat onder Marokkaans straatterreur. Tip: kijk voor een iets genuanceerder beeld de Argos –TV reconstructie van het Goudse bussenincident.

De meeste van mijn vrienden hebben nooit bij een Marokkaan in de klas gezeten of in hetzelfde voetbalteam gespeeld. Het beeld dat zij over Marokkanen hebben komt van Geert en zijn kornuiten en de sporadische real-life ervaring die zij met een Marokkaan hebben gehad. Niet dat ze de uitspraken van Geert nu zo serieus nemen, integendeel. Toch blijft het lastig een uitspraak als: “… onze stranden worden geteisterd door rovend en gewelddadig Marokkaans tuig …” om te buigen tot iets positiefs. Helemaal met een tegengeluid als: “Badr is een parel voor de Nederlandse samenleving”. Daarbij komt dat die sporadische real-life ervaringen zich vaak in en rondom het centraal station van Leiden afspelen en daarmee per definitie niet positief kunnen zijn. Zo is één van mijn vrienden na het pakken van zijn fiets weleens achterna gezeten door twee rebellerende mocro’s. Een gebeurtenis die zeker invloed heeft gehad op zijn beeld over ‘de Marokkanen’. Het probleem van mijn vrienden is dat ze hun beeld over ‘de Marokkanen’ ontlenen aan gebrekkige mediaberichten en de niet erg representatieve real-life ervaringen.

Mijn Marokkanenprobleem

In tegenstelling tot mijn Leidse studentenvrienden ben ik wel op jonge leeftijd in contact gekomen met Marokkaanse leeftijdsgenootjes. Tussen mijn vijfde en zevende jaar was mijn beste vriendje Abdulhak. Op mijn zevende verhuisde ik naar de Beringlaan, een buurt met vooral blanke jongetjes (en dus blanke vriendjes). Wel had ik nog een paar Marokkaanse klasgenootjes en zat ik bij S.V. Gouda in een team met zowel Nederlandse als Marokkaanse jongens.

Met mijn vriendjes op de Beringlaan voetbalde ik en speelde ik busjetrap, een soort verstoppertje, alleen dan met een bal. Tijdens één van de potjes busjetrap bleek de bal opeens verdwenen te zijn. Mijn vriendje Tom beweerde dat hij mijn vroegere vriendje Abdulhak langs had zien komen fietsen met onze bal in zijn handen. Diezelfde avond belde de moeder van Tom bij mij en mijn ouders aan. Ze had van Tom gehoord dat ik Abdulhak kende en dat mijn ouders wisten waar hij woonde. “Kunnen jullie niet bij Abdulhak langs gaan om de bal van Tom terug te vragen?”. Een op het eerste gezicht eenvoudige vraag met een eenvoudige oplossing. De bal is van Tom, wij weten waar Abdulhak woont, waarom dan niet even langs fietsen om de bal terug te vragen? Toch zag ik de vertwijfeling al op het gezicht van mijn vader verschijnen.

Met enige tegenzin vertrokken mijn vader en ik richting het huis van Abdulhak. We belden aan en de vader van Abdulhak deed open. Hij was erg verheugd ons na lange tijd weer te zien en nodigde ons direct uit voor een glaasje Marokkaanse thee. Abdulhak was niet thuis en wat ongemakkelijk zaten ik en vooral mijn vader op de bank met een glas thee in onze handen. Mijn vader kennende heeft hij het nog subtiel proberen te brengen door te vragen of Abdulhak misschien een bal ‘gevonden’ had die toevallig van een vriendje van mij was. De vader wist van niets. Iets later stonden we weer buiten, allebei met een kutgevoel. Dit gevoel werd er even later niet beter op. Eenmaal thuis aangekomen werd aangebeld. Abdulhak stond voor de deur met tranen in zijn ogen en de bal van Tom in zijn handen. Het leek erop dat hij thuis een flink pak slaag van zijn vader had gekregen.

Ik twijfel nu nog steeds of mijn vader en ik er goed aan hebben gedaan de bal terug te halen. Ook vraag ik me af wat het betekent dat de situatie voor mij minder pijnlijk zou zijn als Tom de bal van Abdulhak zou hebben meegenomen en mijn vader en ik bij de moeder van Tom langs zouden zijn gegaan om de bal terug te halen. Dat is denk ik mijn Marokkanenprobleem.

Het Marokkanenprobleem van mijn voetbaltrainer

Mijn voetbalteam was een mix van Nederlandse en Marokkaanse jongetjes. Mijn ploeggenootjes heetten Koen, Jeroen, Rob, Paul en Richard, maar ook Nabil, Joëd, Tarik en Aziz. Onze trainer noemde mij en mijn Nederlandse ploeggenootjes stuk voor stuk bij naam, “Ward, kaatsen”. Mijn Marokkaanse ploeggenootjes kregen allemaal dezelfde naam, niet Mohammed maar Ali, wellicht nog makkelijker te onthouden en uit te spreken.

De trainer mag me Ward noemen, Wardiola (mijn voetbalnaam) mag ook. Minder mooi vind ik het als hij me Kees of Piet noemt. Nog minder mooi vind ik het als ik niet de enige Kees of Piet ben en het grapje is echt voorbij als ik het hele jaar Kees of Piet genoemd wordt. Toch blijft het gissen wat dit met mij gedaan zou hebben. Ik heb in tegenstelling tot mijn Marokkaanse ploeggenootjes namelijk nooit meegemaakt hoe het is om door je trainer niet bij je echte naam genoemd te worden. Wat betekent het voor een 12 jarige jongen als structureel (het hele seizoen) (een deel van) zijn identiteit miskend wordt?

Wees gerust, ik zal jullie de moralistische conclusies besparen en het bij deze drie voorbeelden houden die laten zien dat ‘het Marokkanenprobleem’ misschien ook wel voor een deel ligt bij mij, mijn vrienden en mijn voetbaltrainer.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s